Tentoonstelling Rosa Spierhuis

Recensie Baarnse Courant (pdf)

Recensie Gooi-en-Eemlander (pdf)

Openingswoord Anneke Brassinga:

Beste Johan, beste dames en heren,
Marcel Proust, de grootste schrijver van de twintigste eeuw, heeft over kunst geschreven in een tekst die bekend is geworden onder de titel “Over het lezen”—en dat “lezen”mogen we hier ruim opvatten, want het impliceert bij Proust ook “kijken naar kunst”.

Ik citeer: “Het is een van de grootste en wonderlijke karakteristieken van , ‘mooie dingen’, dat wat voor de maker als ‘conclusies’ zijn aan te duiden, voor de kijker ‘aansporingen’ of ‘prikkels’ zijn. Onze wijsheid begint waar die van de maker ophoudt; we zouden wel willen dat hij ons antwoorden gaf, maar alles wat hij kan doen is ons verlangens ingeven. En die verlangens kan hij alleen wekken door ons de uiterste schoonheid te tonen waartoe de opperste inspanning van zijn kunst hem heeft gebracht. (…) In elk tafereel dat de kunstenaars ons tonen, lijkt het alsof ze ons slechts een vluchtige blik gunnen op een verrukkelijk oord, verschillend van de rest van de wereld;  en wij zouden niets liever willen dan dat zij ons tot in het diepst ervan door laten dringen. (…) Dat die plekken ons anders en mooier dan de rest van de wereld toeschijnen, komt doordat ze de ongrijpbare glans dragen van de indruk die ze op de kunstenaar hebben gemaakt. Die aanblik, die ons betovert en begoochelt, en waar wij zo graag in zouden gaan, is de essentie van iets dat in zekere zin geen materie heeft – een luchtspiegeling, vastgelegd op doek of papier – de essentie van het iets, kortom, dat visie heet. Waar onze gretige ogen doorheen zouden willen boren; dat is de uiterste zegging van de kunstenaar.”

Het is een passage waar ik vaak aan denk als ik de tekeningen van Johan Breuker zie. De ziel wil geraakt worden door het onbekende dat zich herkennen laat als de heugenis van wat nooit eerder is gezien. Een kwestie van standpunt: wie hoog staat, kan bijvoorbeeld ver kijken. Zo kijkt Johan op een van zijn tekeningen als God zelf over de planetaire ronding heen, buigt zijn blik als het ware voorbij de horizon. Wat we dan zien is de huid van moeder aarde, vol holten en glooiingen, her en der met gewas begroeid, er is wind en mist, alles is in beweging en in rust tegelijk.
In het werk van Johan Breuker lijkt het vaak alsof je steeds verder kunt kijken, elke dag een stukje erbij. Niet altijd is de afstand die het oog kan bewandelen er een van verte en diepte en hoogte, vaak is die ook gegeven in het labyrintische: zijn het takken of slangen die daar kronkelen, vlammen of bomen die daar rijzen, ligt ginds een bergdorp of komt er à la Shakespeare een heel bos aangemarcheerd ? Zien we daar een huilende luipaard op de achterpoten staan, of is ’t een waterval van wingerd? En: is de transformatie van materie naar het etherische zich al aan het voltrekken, zoals op die ene prachtige tekening waar vijf grafstenen zich in beweging lijken te zetten in de richting van een opening in de kerkhofmuur, waardoorheen een intens witte lichtwereld zichtbaar is?

Het lijkt op deze tekening alsof er zich rijp heeft afgezet op een groot deel van het zicht, als een soort hemelse versterving. De zerken zijn al doorschijnend, het leven gloeit erin na met warme of koelere tinten. De kleuren zijn jong en voorjaarsachtig, bijna brutaal tegenover de witte baaierd van licht, waarin vaag zichtbaar zich nog van alles roert. Het is zo’n tevreden stemmend beeld dat je pas na lang kijken er iets zinnebeeldigs in gaat leggen, als het ware terloops, naarmate het oog langer dwaalt langs deze opstelling van grafstenen die ook doen denken aan schouders en ruggen, en die bovendien veeleer de herinnering aan massieve steen oproepen – herinnering aan het aardse – dan dat ze zelf massief en zwaar lijken. Je zou hierbij haast gaan denken: de dood is het nieuwe leven waar alle stoffelijke zwaarte is opgeheven. Wat rest, is heugenis van vorm, en een vloed van licht waarin die heugenis blijft zweven. Op zo’n moment kijken we misschien even door de ogen van de kunstenaar, en zouden we niets liever willen dan daar te zijn, in de evocatie die op het papier is neergelegd, of liever opengelegd.

Zinnebeeldig is misschien niet het juiste woord als we het hebben over de herinnering van het nooit geziene. Maar als alle beeld teken is – of wordt, in de beschouwing – dan is er geen ontkomen aan de gedachte dat er in het graf- en kerkhofmotief dat de laatste jaren naar voren komt in Johan Breukers werk, zijns ondanks wellicht, een zekere zinnebeeldigheid meespeelt. Ik voor mij proef daarin een gevoel dat de natuur uiteindelijk sterker is dan de dood en alle menselijke memento’s weergaloos overwoekert en laat verzinken, in haar altijd voortgaande groei. Dat wij, eenmaal gestorven, zo worden toegedekt, en opgenomen in het grote geheel, een verlossende gedachte, en ik hoop dan ook dat Johan daaraan nog heel lang scheppend vorm mag geven.


Anneke Brassinga.