Catacomben

Naar de catacomben

De eerste dode die op de generale begraafplaats ter aarde werd besteld was Mary Ann Fish, overleden aan tuberculose, een volksziekte in die tijd en algemeen aangeduid als de tering. 
Men dacht ook aan de maatschappelijk minder bedeelden waarvoor onder aan de rivier een lange muur met gewelven werd ingericht. Deze catacomben werden links van het poortgebouw en evenwijdig aan de rivier in de glooiing van de heuvel geconstrueerd. Daar kon men de doden in boven elkaar gelegen nissen inmetselen. In tegenstelling tot veel zuidelijke landen in Europa vond deze methode weinig aftrek.

 De nabestaanden vonden het te onpersoonlijk en zij gaven de voorkeur aan een grafsteen of liever nog aan een pronkend monument. Veel van die nissen bleven dus ongebruikt en langzaam aan raakten de catacomben in verval. Na een verwoestende overstroming in 1874 is deze dodenmuur hersteld en in 1936 nog uitgebreid met een bovenetage en betonnen balustrade. Maar door de vrees voor grafroof en de toenemende keuze voor crematie bleef de animo voor het gebruik laag en koos men liever voor de opvallende grafmonumenten die nog altijd boven de balustrade uitsteken. Op 21 december 1978 werd de laatste dode in de catacomben bijgezet. Een gedenkplaat bleef echter achterwege.

Gallery fotos groot

Gallery tekeningen groot

Bovenop de Catacomben

Ik sta nu bovenop deze wal met uitzicht over de aangrenzende stad en de toegangspoort. Hier ligt de tweede grens.  Aan de voet van deze wal  vormt het riviertje de afscheiding  tussen de stad, het gebied van de levenden, en het kerkhof, dit woongebied van de doden. Een echte muur of eerder een uitkijkpost waar men indringers al van verre zou kunnen signaleren en afweren. Maar ook een onmachtig  weerwerk. Want ondanks haar indrukwekkend voorkomen heeft deze wal geen werkelijke macht en kan ze alleen onze verbeelding aanspreken. Het is een symbool, een oproep tot respect. Mijn ogen hechten zich aan al die overdadig gedecoreerde tombes, zuiltjes en pinakeltjes boven op de balustrade van deze verlaten architectuur. Pure schoonheid. Door weer en wind gegeselde eretekens, die zich alleen nog kunnen warmen aan het licht. Wij, de levenden zijn hier te gast en door deze stille getuigen worden wij op onze plaats gezet. Afgewezen en buitengesloten zetten wij voorzichtig onze voeten op dit met zerken geplaveide pad. Voor mij is dit een uitgelezen plek om een paar tekeningen te maken. De enige manier om al deze indrukken vast te leggen en zo een beetje door te dringen in de sfeer van dit dodenrijk.

Na dit moment van concentratie, slaat de onrust weer toe.  Ik sta nog maar aan het begin van mijn wandeling door deze goudmijn en er valt nog zoveel te ontdekken. Op het plattegrondje dat ik bij het poortgebouw vond staan de verschillende routes en niveaus aangegeven en mijn nieuwsgierigheid is geprikkeld. Ik verlaat dus dit hoogliggende deel en ik klim naar beneden om terug te lopen naar de achterkant van het poortgebouw.