Van voorschets naar tekening

Beeldengalerij in Flash

Zo gauw het weer het toelaat trek ik naar buiten omdat het directe contact met en het observeren van mijn onderwerpen voor mij van het grootste belang is. Gewapend met een schetsblok en een paar pijpjes houtskool zoek ik mijn motieven op om ze intensief te bekijken en om hun specifieke vormen en atmosfeer in een paar schetsen vast te leggen. De meester – tekenaar Ingres zei het al: "Tekenen is de sensatie en het werk op het atelier is overleg en verstand". Inderdaad, de eerste ontmoeting met een onderwerp is altijd zeer opwindend en die ervaring ligt aan al mijn andere werk ten grondslag.

Niet zelden komt het voor dat ik bij mijn eerste stappen in een tuin door mijn opwinding nauwelijks in staat ben een schets te maken. Ik ben dan een veel te ongeduldige verliefde, die eerst alles moet bekijken en aanraken. Daarna komt er rust, tijd voor concentratie en keuze van motieven. Dat zijn die momenten van intens genieten en tekenend opgaan in de vormweelde en de lichtval. Met deze studies houd ik mijn voorraad beelden op peil en tijdens de zomerse maanden haal ik een oogst aan ideeën binnen. In veel van deze houtskoolschetsen schuilen al de tekeningen die ik later op mijn atelier zal realiseren.

Voordat ik mij aan een grote tekening waag, moet ik eerst uitgebreid gaan voorschetsen. Een beeld moet groeien door het van alle kanten te besluipen, door het steeds anders te belichten en vooral door mijzelf eerst de vormen eigen te maken. Daartoe moet ik mij eerst dwingen aan mijn bureau te gaan zitten en op klein formaat verschillende tekeningen te maken. Uit de krabbels in mijn dagboek, uit de buitenschetsen en de vele foto's stel ik mijn composities samen. Zo ontstaat vanuit de enorme berg mogelijkheden langzaam een duidelijk beeld en verover ik de vrijheid die nodig is om een groot formaat te lijf te gaan.

Intussen besteed ik veel aandacht aan de voorbereiding van de dragers van mijn tekeningen: het papier. Omdat ik mijn tekeningen langdurig bewerk worden alle papieren ingevocht en opgespannen op een tekenplank. Om het tekenen in vele lagen mogelijk te maken en om te voorkomen dat zij snel dichtlopen, is het nodig om de ondergrond de juiste structuur te geven. Daarom breng ik, afhankelijk van het resultaat dat ik voor ogen heb, verschillende grondlagen aan en geef ik soms het papier een bepaalde grondtoon.

In weerwil van al deze voorbereidingen verloopt de opzet van een tekening meestal tamelijk impulsief. Het is alsof ik nooit tweemaal dezelfde weg kan afleggen en alsof alle intussen verworven vaardigheid en kennis er even niet toe doen. Het onderwerp moet opnieuw benaderd worden en elke tekening is een nieuw avontuur. In grote lijnen worden de eerste contouren neergezet, soms heftig en motorisch, soms zo verstild mogelijk al naar gelang de stemming die ik wil bereiken. In eerste aanzet geeft dat een hoop geschuif en veel correcties en bruikbare toevalligheden, maar langzaam[geen spatie]aan groeit uit al deze sporen het beeld. Na zo'n energieke eerste fase volgt er een tijd van overleg, van lang kijken, luisteren, weer corrigeren en vaak minutieus ingaan op bepaalde détails.

Vaak gaat er een maand overheen voordat ik weet wat er goed en vooral wat er nog mis is aan een werk. Dat heeft tot gevolg dat ik moet ingrijpen en het risico maar moet nemen om de hele tekening om te gooien. Maar dan is er het prachtige moment waarop je weet dat de tekening af is en dat het stil wordt – om met een variatie op de woorden van Bram van Velde te spreken.