Natuur

Lichtval, groei, vormweelde, seizoenen

God zij dank dat stenen slechts stenen zijn,
En rivieren niets dan rivieren,
En bloemen alleen maar bloemen.
Ik ben tevreden,
Omdat ik weet dat ik de Natuur begrijp aan de buitenkant;
En haar niet begrijp van binnen,
Want de natuur heeft geen binnen;
Anders was zij geen natuur.
Alberto Caeiro

In al zijn helderheid is dit nuchtere standpunt van Alberto Caeiro tegenover de feitelijkheid van de natuur een lichtpunt in al die vormen van onzin die over de natuur te berde worden gebracht. Het woord natuur wordt maar al te makkelijk in de mond genomen en verbonden met de meest verschillende zaken waarbij begrippen als zuiverheid, ongereptheid en vrijheid een positieve rol kunnen spelen. Vaak heeft dit niets met de natuur te maken, maar veel meer met ons verlangen en onze neiging om natuurlijkheid en ongekunsteldheid te idealiseren. Lang niet altijd hebben we in de gaten hoezeer wij onze gevoelens en wensen op de natuur projecteren en hoezeer wij de natuur construeren en naar onze hand wensen te zetten. Er zijn nauwelijks landschappen die niet door de mens zijn bedacht en gerealiseerd.Maar toch; als de natuur de kans krijgt tovert zij ons een weelderige groei voor en verbaast zij ons met haar onbeschrijflijke variatie aan vormen. Elk seizoen en elke weersomstandigheid veroorzaakt in het landschap en in tuinen een prikkelende metamorfose. De grootste smaakmaker bij al die veranderingen is het licht dat alle vormen overstraalt en de sfeer bepaalt. "Licht is de schaduw van god" wordt wel eens gezegd. Daar is weinig feitelijks aan, maar persoonlijk mag ik graag in die schaduw zitten en mijn ogen blindstaren op die onuitputtelijke vormrijkdom die de natuur mij voorschotelt terwijl ik opgetild wordt door haar dramatische effecten.

III Seizoensgezangen
'Er is een smaak
van herfst in de bomen
zeggen oud
dichters'
Hans Lodeizen

Barnsteenboom
Mijn wortels heb ik in het hart gewrongen
van de aard en groei op weelde van gemis.
Ik eet het zwart diep met mijn dode samen
gebed in duisternis. Een kroon beschut ons
tegen licht, er schitteren alleen mijn tranen.

(uit 'Timiditeiten', gedichten van Anneke Brassinga, uitgegeven in
2003 bij de Bezige Bij Amsterdam.)